HASDRUBAL van Cannae
Hasdrubal XIX (9) {8}
‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
Algemeen kwartiermeester van Hannibal
Barcas (Polybios III 93,4). Na de
slag bij Ticino voert hij het leger
over de Po, terwijl Hannibal
vooruitsnelde naar Placentia
(Polybios III 66,6). In het gebied van de
Falerniërs leidt hij de list met de
runderen (Polybios III 93,4). Bij
Gerunium voert hij bevel over 4000
man te hulp snellende troepen
(Polybios III 102,6). Bij Cannae
voert hij in 216 de zware ruiterij aan
(Polybios III 114,7) en verdwijnt dan
uit de overleveringen. Wellicht
komt hij om in de veldslag.
Hij komt waarschijnlijk voor het eerst in de overleveringen in
beeld bij het gevecht aan de Ticino in de herfst van het jaar 218 v.C als man
van de aan- en afvoertroepen. Hij maakt echter al eerder deel uit van het leger
van Hannibal. Bij de overschrijding van
de Rhône en doortocht over de Alpen zal hij ongetwijfeld ook al kwartiermeester
gespeeld hebben. Hij zal wellicht zelfs al deelgenomen hebben aan het beleg van
Saguntum in 219 v.C.
Polybius III, 66
|
Livius XXI, 47
|
Publius brak op en
trok door de vlakte naar de brug over de Po, want hij wilde zijn legioenen
tijdig de overtocht laten maken. Het terrein was hier vlak, de tegenstanders
waren superieur in kracht voorzover het de ruiterij betrof en hijzelf had
last van een verwonding. Dat alles overwegende achtte hij het juist zijn
strijdkrachten naar een veilige plaats te brengen. Hannibal had een tijdlang
de indruk dat de Romeinen een infanteriegevecht in de zin hadden, maar toen
hij begreep dat ze hun kamp verlaten hadden, volgde hij hen tot aan de eerste
rivier en de brug, die daarover lag. Daar constateerde hij dat de meeste
planken al weggetrokken waren en dat de manschappen die de brug hadden
bewaakt zich nog in de buurt van de rivier ophielden. Deze nam hij gevangen;
het waren er ongeveer zeshonderd. Omdat hij hoorde dat de rest van Scipio’s
leger al een flinke voorsprong had genomen, maakte hij rechtsomkeert en trok
langs de rivier, met de bedoeling een punt te vinden waar hij gemakkelijk een
brug over de Po kon slaan. Op de tweede dag sloeg hij zijn kamp op, bouwde een
pontonbrug van rivierschepen en gaf Hasdrubal
bevel voor de overtocht van het leger te zorgen. Zelf stak hij meteen de
rivier over en begon dadelijk gesprekken met de mensen die als gezanten uit
de omliggende gebieden bij hem kwamen.
|
Livius noemt Hasdrubal hier niet, maar wel indirect Mago:
------ Coelius
beweert dat Mago met de ruiterij en en de Spaanse infanteristen meteen de
rivier overzwom en dat Hannibal zelf zijn leger liet oversteken via hogerop
gelegen ondiepten, waarbij de olifanten in een rij werden opgesteld om de
kracht van de rivier te stuiten. Deze mededelingen zijn weinig geloofwaardig
voor wie de rivier kent: het is onwaarschijnlijk dat ruiters met behoud van
hun wapens en paarden zo’n krachtige rivier overgezwommen zijn – nog
aangenomen dat alle Spanjaarden met behulp van opgeblazen leren zakken zijn
overgestoken - . Bovendien hadden ze een omweg van vele dagen moeten maken om ondiepten van de
Po te bereiken waar een zwaarbepakt leger kon oversteken. Eerder geloof ik de
auteurs die berichten dat ze met moeite na twee dagen een plaats voor een
schipbrug over de rivier vonden en dat daarover de ruiters en de
lichtgewapende Spanjaarden onder leiding van Mago vooruit werden gestuurd.
|
In het gebied van de Falerniërs in de zomer van 217 v.C zien
we Hasdrubal weer in zijn functie van kwartiermeester.
Polybius III, 93
|
Livius XXII, 16
|
Toen de Carthagers
waren aangekomen en hun kamp hadden opgeslagen in het vlakke gebied aan de
voet van de bergrug, hoopte Fabius zonder strijd de buit die in Carthaagse
handen was te kunnen meeroven en misschien zelfs een einde te kunnen maken
aan het hele conflict door het volle profijt te trekken van zijn gunstige
positie. Hij concentreerde zich dan ook volledig op de beraadslagingen over
zijn krijgsplan, waarbij hij overwoog waar en hoe hij van zijn positie
gebruik zou maken en wie het eerst de tegenstanders moesten aanpakken en van
welk punt uit. Dit alles bereidden Hannibals vijanden met het oog op de
volgende dag voor, maar hij, die uitging van wat het meest waarschijnlijk
was, gaf hun geen tijd of gelegenheid om hun plan uit te voeren. Hij riep Hasdrubal, de commandant van de
afdelingen werklieden, bij zich en droeg hem op in korte tijd zo veel
mogelijk fakkels te binden van allerlei droog hout. Ook moest hij uit de hele
buit de sterkste trekossen kiezen, ongeveer tweeduizend en die voor de
legerplaats bijeenbrengen. Toen dit gebeurd was, liet Hannibal de werklieden
bij elkaar komen en wees ze een heuvelrug die gelegen was tussen zijn kamp en
de pas waarlangs hij van plan was met zijn leger te trekken. Ze moesten op
een afgesproken signaal de ossen uit alle macht en met alle middelen naar die
heuvel te drijven, net zolang tot ze de toppen zouden bereiken.
|
--------- Het
ontging Hannibal niet, dat hij met zijn eigen tactieken werd aangevallen. Nu
hij niet via Casilinum weg kon komen, was hij gedwongen het bergland in te
gaan en de pas van Callicula over te trekken. Hij besloot bij het vallen van
de nacht heimelijk de tocht omhoog te beginnen en bedacht een afschrikwekkend
gezichtsbedrog om de Romeinen te misleiden en te voorkomen dat ze zijn
colonne, die in de valleien was ingesloten, ergens zouden aanvallen. De list
was als volgt opgezet. Houtspaanders, bundels twijgen en droog rijshout
werden overal van de velden bijeengeraapt en aan de horens van tamme en wilde
runderen gebonden, die hij in grote getale meevoerde bij de buit van het
land. Tegen de tweeduizend runderen werden zo geprepareerd. Hasdrubal kreeg de taak om deze kudde
die nacht met brandende horens de bergen in te drijven, zo mogelijk vooral
boven de bergpas die door de vijand bezet werd gehouden.
|
Gerunium in het jaar 217 v.C. Hasdrubal in zijn rol als
redder in de nood.
Polybius III, 102
|
Livius XXII, 23-24
|
Marcus [Minucius] constateerde dat het grootste
deel van de tegenstanders zich over het land bleef verspreiden om
bovengenoemde bezigheden (foerageren) te verrichten. Daarom was dit voor hem
het juiste moment om precies op het midden van de dag met zijn leger op te
rukken. Hij ging op het kamp van de Carthagers af, stelde zijn
zwaargewapenden in slagorde op en
verdeelde de ruiters en de lichtgewapenden in kleinere eenheden, die hij op
de foerageurs afstuurde met het consigne niemand in leven te laten. Hannibal
was door deze actie in grote problemen geraakt. Hij was niet sterk genoeg om
tegen de Romeinse slaglinie op te rukken, maar evenmin om zijn mannen die
over het land verspreid waren hulp te bieden. Bij de Romeinen daarentegen
doodden degenen die op de foerageurs waren afgestuurd een groot aantal van hen die verspreid
rondzwierven, en degenen die in slagorde stonden opgesteld lieten tenslotte
hun minachting voor de vijanden blijken dat ze de palissaden begonnen te
ontmantelen en al bijna bezig waren de Carthagers te belegeren. Maar hoewel
Hannibal’s positie slecht was, hield hij in deze tegenslag toch stand en
trachtte hij zich de aanvallers van het lijf te houden en zijn kamp met
moeite te behouden, totdat Hasdrubal
hem te hulp kwam. Die had de ongeveer vierduizend mannen die van het land
naar het kamp bij Gerunium gevlucht waren bij zich. Hierdoor vatte Hannibal
weer enige moed. Hij rukte uit, stelde zijn mannen op korte afstand van het
kamp op en wist het gevaar waarin hij zich bevond met moeite te keren.
|
Hannibal bevond zich
in een vast kamp voor de muren van Gereonium. Hij had de stad ingenomen en in
brand gestoken op enkele huizen na, die hij als opslagplaatsen voor graan
gebruikte. Vanuit dit kamp stuurde hij twee derde van zijn leger op graan
uit. Met het resterende deel hield hij zelf in staat van paraatheid de wacht,
ter bescherming van het kampen op zijn hoede voor een eventuele aanval op de
foerageurs. ---------
------ De volgende
dag joegen de Romeinen de bezetters van dat punt weg – hun aantal vonden ze
te verwaarlozen – en verplaatsten ze zelf hun kamp daarheen. Toen was de
ruimte tussen de ene wal en de andere helemaal gering, en ze werd bijna
helemaal gevuld met Romeinse troepen in slagorde. Tegelijk werd vanuit de
achterzijde van het kamp de ruiterij met de lichtgewapenden op de foerageurs
afgestuurd, die overal rondzwervende vijanden doodde of op de vlucht joeg.
Hannibal durfde geen slag te leveren, omdat hij met zijn geringe
troepensterkte – een deel van zijn leger was al vanwege de honger weggegaan –
het kamp nauwelijks kon verdedigen als dat werd aangevallen. Hij voerde nu
oorlog in de trant van Fabius, met stilzitten en afwachten, en had zijn
mannen al in zijn vorige kamp voor de muren van Gereonium teruggetrokken.
Livius noemt hier niet de naam Hasdrubal, maar vermeldt
wel een andere versie van deze gebeurtenissen, waarbij opeens een Samniet
Numerius Decimus opduikt, die de Romeinen met 8000 man te hulp schiet.
|
In 216 v.C is Hasdrubal opeens de belangrijkste
ruiteraanvoerder geworden. Dat lijkt misschien ongeloofwaardig voor een
kwartiermeester, maar omdat de Carthaagse ruiterij opeens zo anders gaat
vechten, kan het zeer wel mogelijk zijn.
Polybius III, 114
|
Livius XXII 45
|
---- In totaal
hadden de Carthagers zo’n tienduizend ruiters en niet veel meer dan
veertigduizend infanteristen, de Kelten meegerekend. De rechterflank bij de
Romeinen werd aangevoerd door [Lucius] Aemilius [Paullus], de linker door
Gaius [Terentius Varro] en het centrum door de consuls van het vorige jaar,
Marcus [Atilius Regulus] en Gnaeus [Servilius Geminus]. -------
|
------ Op de
rechtervleugel, aan de kant van rivier, plaatsten ze de Romeinse ruiters met
daarnaast de infanterie. De uiterste linkervleugel werd bezet met de ruiters
van de bongenoten; meer binnenwaarts stonden hun infanteristen, die in het
midden aansloten aan de Romeinse legioenen. De slingeraars vormden met andere
lichtgewapende troepen de voorste linie. De consuls voerden bevel over de
vleugels. [Gaius Terentius] Varro over de linker, [Lucius Aemilius] Paulus
over de rechter, en aan [Gnaeus} Servilius [Geminus} werd het commando over
het centrum van de linie overgedragen.
|
Polybius III, 114 (vervolg)
|
Livius XXII 46
|
---- Bij de
Carthagers voerde Hasdrubal de
linkervleugel aan, Hanno de rechter; in het centrum stond Hannibal zelf, met
zijn broer Mago bij zich. ------
|
------ Aan de overkant
werden ze successievelijk als volgt opgesteld: de Gallische en Spaanse
ruiters kwamen dicht bij de rivieroever op de linkervleugel te staan
tegenover de Romeinse ruiterij, de rechtervleugel werd toegewezen aan de
Numidische ruiters, en het centrum van de linie werd gevormd door de
infanterie, met de Afrikanen aan de zijkanten en de Galliërs en Spanjaarden
daartussenin. ------
----- Het totale
aantal infanteristen in deze linie bedroeg veertigduizend. Het aantal ruiters
tienduizend. Over de vleugels voerden links Hasdrubal en rechts Maharbal bevel; het centrum van de linie
stond onder commando van Hannibal zelf met zijn broer Mago.
|
Polybius III, 115
|
Livius XXII, 47
|
Bij de eerste
gevechtshandelingen van de voorhoeden ging de strijd tussen de lichtgewapenden
in het begin gelijk op. Maar zodra de Spaanse en Keltische ruiters op de
linkervleugel de Romeinen aanvielen, maakten die het treffen tot een gevecht
van werkelijk barbaars karakter. Er werd namelijk niet gestreden volgens de
gebruikelijke methoden van terugtrekken en aanvallen, want zodra ze slaags
waren geraakt stegen ze van hun paarden en vochten man tegen man. De
Carthagers kregen de overhand en doodden bij dit treffen de meeste
tegenstanders, hoewel alle Romeinen verbeten en dapper streden, en dreven de
overigen langs de rivier voor zich uit, terwijl ze hen meedogenloos in de
gevechten afslachtten. ------
|
Onder
krijgsgeschreeuw stormden de hulptroepen naar voren en zo ontstond eerst een
gevecht van lichtgewapenden. Daarop ging de linkervleugel van de Gallische en
Spaanse ruiters met de rechtervleugel van de Romeinen een strijd aan, die
weinig weg had van een normaal ruitergevecht. Want er moest frontaal
gevochten worden, omdat ze geen ruimte hadden voor zijwaartse bewegingen; aan
de ene kant werden ze door de rivier ingesloten, aan de andere kant door de
infanterie. Ze stormden dus van beide kanten recht vooruit, en toen de
paarden tenslotte dicht bij elkaar stonden, greep de ene ruiter de andere
vast om hem van zijn paard te trekken. Al snel werd er grotendeels te voet
gevochten. Na een korte doch hevige strijd werden de Romeinse ruiters
verslagen en sloegen ze op de vlucht. -------
|
Polybius III, 116
|
Livius XXII, 48
|
----- Toen Hasdrubal en zijn mannen de ruiters
langs de rivier op een zeer klein aantal na gedood hadden en op de
linkerflank de Nunidiërs te hulp kwamen, zagen de ruiters van de bondgenoten
der Romeinen hun aanval aankomen, keerden zich om en vluchtten. Wat Hasdrubal op dat moment deed was
effectief en verstandig. Hij zag, dat de Numidiërs in de meerderheid waren en
op hun sterkst wanneer ze vijanden die eenmaal op de vlucht geslagen waren
schrik aanjoegen. Daarom liet hij de vluchtende Romeinen aan deze Numidiërs
over en ging zelf zijn mannen voor naar de strijd van de infanterie om de
Noord-Afrikanen te helpen. Nu viel hij de Romeinse legioenen in de rug aan en
voerde met zijn ruiterafdelingen de ene na de andere charge tegen hen uit,
waardoor hij de Noord-Afrikanen nieuwe moed gaf, maar de Romeinen
demoraliseerde en intimideerde. --------
|
Intussen was ook de
linkervleugel van de Romeinen, waar de ruiters van de bondgenoten zich
tegenover de Numidiërs hadden opgesteld, in gevecht geraakt. De strijd kwam
traag op gang en begon met een list van de Puniërs. Ongeveer vijfhonderd
Numidiërs reden voorwaarts uit hun gelederen met hun schilden op hun rug,
alsof ze wilden overlopen; maar behalve hun gewone wapens droegen ze
heimelijk zwaarden onder hun pantsers. Bij de Romeinen aangekomen sprongen ze plotseling van hun paarden en wierpen
hun schilden en speren neer voor de voeten van de vijanden. Ze werden in de
vleugel opgenomen en naar de achterste gelederen gevoerd, waar ze orders
kregen achter de troepen te gaan zitten. Zolang het gevecht aan alle kanten
nog op gang kwam, hielden ze zich rustig. Maar toen alle ogen en en aandacht
op de strijd gericht waren, grepen ze de schilden die overal tussen de
stapels lijken waren neergeworpen en vielen de Romeinse linie van achteren
aan. Ze staken hen in de rug, sneden hun kniepezen door en veroorzaakten een
geweldige slachting en een nog veel grotere paniek en chaos. Nu leidde aan de
ene kant de schrik tot een vlucht, terwijl in het centrum de strijd hardnekkig
voortduurde, maar al zonder hoop op succes voor de Romeinen. Hasdrubal haalde als commandant van
de ruiterij de Numidiërs weg uit het midden van hun linie, omdat hun gevecht
tegen hun tegenstanders te traag verliep, en stuurde ze achter de overal
vluchtende soldaten aan; de Spaanse en Gallische ruiters voegde hij bij de
Afrikanen, die bijna meer vermoeid waren van het doden dan van het vechten.
|
Livius XXII, 49
|
|
Vervolgens gaat Livius weer terug naar het begin van de
strijd met de wederwaardigheden van Paullus als bevelhebber van de Romeinse
ruiterij.
|
Ook Appianos en Zonaras noemen Hasdrubal in zijn rol als
ruiteraanvoerder te Cannae.
Hierna wordt deze Hasdrubal in de overleveringen
waarschijnlijk niet meer genoemd. Is hij in de eindstrijd van Cannae alsnog
gesneuveld?
We kennen ook geen stamboomgegevens van deze Hasdrubal. Wie
was zijn vader en had hij nog kinderen, die ergens later weer opduiken in de
geschiedschrijving?
Tenslotte: is er een naamsverwisseling in het spel?
Bijvoorbeeld met één van de vele Hanno’s?
H.R.van Diessen.
NCFPS, december 2011.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten