donderdag 2 januari 2014

Yatonhapi


        YATONHAPI

        ytnh.p (fen)

        Betekenis: door Apis gegeven/geschenk van Apis.

        De naam komt 3x in het Fenicisch voor. In het (Neo)punisch dus niet, maar komt

        wel de familienaam Hapi in samengestelde vorm voor.

 

        Yatonhapi I

        Op een grote inscriptie uit Elefantina te Egypte komt de naam voor. De

        inscriptie stamt uit de 5e eeuw v.C. Zie: Magnanini blz 71‑80.

 

        c.475     ytnh.p    yatonhapi

                  V

        c.450     grb*l     gerbaal

 

        Yatonhapi II

        Op een grote inscriptie uit Elefantina te Egypte komt de naam voor. De

        inscriptie stamt uit de 5e eeuw v.C. Zie: Magnanini blz 71‑80.

 

        c.475     b*l*zr    baalazor

                  V

        c.450     ytnh.p    yatonhapi

 

        Yatonhapi III

        Op een grote inscriptie uit Elefantina te Egypte komt de naam voor. De

        inscriptie stamt uit de 5e eeuw v.C. Zie: Magnanini blz 71‑80.

 

        c.475     ml...

                  V

        c.450     ytnh.p    yatonhapi

 

        Al de drie Yatonhapi's lijken niet direct familie van elkaar te zijn, alhoewel ze

        wel op dezelfde inscriptie voorkomen. Verder is wel opmerkelijk, dat Apis een

        belangrijke rol speelt bij deze familie(s). We komen de naam in samengestelde

        vorm wellicht tegen als bijvoorbeeld bnh.p, sh.pmw, *nh.pms en h.pls.

        Verder treffen we in de familienamen ook de goden aan Ptah, Horus en Bastet.

        Het zijn Feniciërs, die sterk ingeburgerd zijn in de Egyptische bevolking,

        alhoewel we ook puur Fenicische namen tegenkomen.

ncfps

Yatonbaal

YATONBAAL
        ytnb*l (fen/pun), Ithumbal (lat).
        Betekenis: door Baal gegeven of Baal geeft.
        De naam komt niet erg veel voor.
        Fenicisch 1x, Punisch 54x, Neopunisch 2x.
        In de afgekorte vorm als Yaton komt de naam ook voor:
        Fenicisch 1x, Punisch 16x, Neopunisch 1x.
        Er zijn ook weer enige verschrijvingen in de inscripties, zoals YTB*L, YTNBL.
        Zie:F.L.Benz in: Personal Names in the Phoenician and Punic Inscriptions, Rome,
        Biblical Institute Press, 1972.
        Zie: K.Jongeling, Names in Neo‑Punic Inscriptions, 1984, R.U.Groningen.
        Er zijn geen historische persnen met die naam bekend.
        In Romeinse cijfers de volgorde alhier.
 
        Yatonbaal I
        Uit de 4e eeuw v.C is een inscriptie op een steen (46x35cm) beschikbaar uit
        Tharros op Sardinië. Zie: Amadasi blz 97. Als we de creatie van de inscriptie op
        c.350 v.C mogen stellen, dan ziet de stamboom er als volgt uit:
 
        c.400     *bd'      abdo
                  V
        c.375     ytnb*l    yatonbaal
                  V
        c.350     'drb*l    adirbaal
 
        Adirbaal stamt uit Tharros, maar daar hoeven zijn vader en grootvader niet
        noodzakelijkerwijs ook vandaan te komen.
 
        Yatonbaal II
        In Lapethos op Cyprus komen we een inscriptie tegen, waar we o.a. de
        chronologische bijzonderheden tamelijk goed kunnen traceren. Deze Yatonbaal is
        een priester van de koning Abdasjtarte en de zoon van Gerasjtarte. De godin
        Asjtarte beheerst de familie, want die naam komt in de diverse persoonsnamen
        naar voren. Het zal een familie van priesters voor Melqart en Asjtarte zijn
        geweest.
        De wijding wordt gedaan in het 11e jaar van Ptolemeus II van Egypte, die
        toendertijd over Cyprus heerste. Bovendien valt te lezen, dat het gebeurde in het
        33e jaar van het volk van Lapethos. We komen dan uit op het jaar 274 v.C en
        niet 250 v.C, zoals Magnanini op blz 124 aangeeft. Het is een vrij lange
        inscriptie, die veel detailinformatie geeft. Hierbij een wat vrije vertaling om
        de tekst enigszins leesbaar te maken en waarbij hopenlijk de wezenlijke
        betekenis geen geweld wordt aangedaan.
 
        "Wijdingsbeeld voor de welvaart. Dit beeld is een geloftebeeld. Ik, Yatonbaal,
        chef van het land, zoon van Gerastarte, chef van het land, zoon van
        Abd[astarte], chef van het land, zoon van [Abdo]siris, zoon van Gerasjtarte, zoon
        van Sjillem, afkomstig van Karmel, heeft in het het heiligdom van Melqart een
        aandenken opgericht voor de levenden in mijn naam bij de nieuwe maan van
        ZBH.SjSjM in het 11e jaar van de heer koning Ptolemeus, zoon van de heer koning
        Ptolemeus, namelijk in het 33e jaar van de burgers van Lapethos, gerealiseerd
        door de priester van de heer koning Abdasjtarte, zoon van Gerasjtarte, chef van
        het land, afkomstig van Karmel. En in de maand MP* van het 3e jaar van de
        koning Ptolemeus, zoon van de heer koning Ptolemeus, die tijdens het leven van
        mijn vader het wijdingsborstbeeld in brons heeft geplaatst in het heiligdom van
        Melqart. En in de maand van P*lt in het 5e jaar van de koning Ptolemeus, zoon
        van de heer koning Ptolemeus werden tijdens het leven van mijn vader vele
        dieren uit het gebied van de vlakte van Narnaka geofferd en gewijd aan mijn
        heer Melqart. Dit fonteinbekken is gemaakt voor en het altaar is gewijd aan mijn
        heer Melqart door mijn leven van mijn nakomelingen dag na dag en door de
        wettelijke erfgenamen en zijn echtgenote hopen wij op een nageslacht bij de
        nieuwe maan en de volle maan, maand na maand, altijd, zoals voorafgaand, conform
        vermeld op de bronzen tafel. Zo heb ik geschreven en vastgelegd op de muur, dat
        dit tot mijn welbevinden zal bijdragen. En gemaakt hierboven is de versierde
        deur en die werd bekleed met zilver tot een gewicht van 3 en 2 kr, gewijd aan
        Melqart. Bescherm en vaar wel voor mij en mijn nazaten in deze herinnering dit
        aandenken van mijn Melqart, zodat hij een afstammeling moge begunstigen."
 
        De stamboom ziet er als volgt uit:
 
        c.375     sjlm           sjillem
                  V
        c.350     gr*sjtrt       gerasjtarte
                  V
        c.325     *bd']sr        abdosiris
                  V
        c.300     *bd[*sjtrt     abdasjtarte
                  V                                         gr*sjtrt=priester
        282‑280   gr*sjtrt       gerasjtarte                V
                  V                                         *bd*sjtrt=koning
        274       ytnb*l         yatonbaal
 
        Zowel Sjillem in c.375 als Gerasjtarte, de priester, komen uit Karmel in Israël.
        Yatonbaal bemoeit zich met de verfraaiing van de tempel voor Melqart en smeekt
        hem om te zorgen, dat hij maar nakomelingen krijgt.
        Zie ook Mentz blz 29‑31.
 
        Yatonbaal III
        Op een bilingue (Grieks/Fenicisch) te Piraeus uit de 3e eeuw v.C komt een
        Yatonbaal voor. De wijding is voor Asept, dochter van Esymselem
        (Esjmoensjillem), afkomstig van Sidon. Yatonbaal blijkt de zoon van
        Esjmoensilloh(?) te zijn en hoofd van de priesters voor Nergal en hij verricht
        de wijding voor Asept. Zie Magnanini blz 137. KAI 59 1/2. Krahmalkov noteert
        Esjmoenhalos ('sjmnh.ls.)! Er heeft hier iemand de letters zitten verwisselen!
 
        c.275     'sjmnsjlm {essymselem}         'sjmns.lh esjmoensaloh
                      V                                                       V
        c.250     'spt      {asept}                         ytnb*l   yatonbaal
 
        Het wordt niet duidelijk, of er een familierelatie is tussen Asept en Yatonbaal.
        Verder is opmerkelijk het internationale karakter van de inscriptie:
        1.bilingue, dus ook in dit geval voor een deel in het Grieks opgesteld.
        2.de inscriptie wordt gemaakt te Piraeus bij Athene.
        3.Asept/Esjmoensjillem komen uit Sidon.
        4.Yatonbaal is het hoofd van de priesters van Nergal (Babylonische godheid!).
 
        Yatonbaal IV
        De naam komt voor in een Neopunische inscriptie uit Lepcis Magna (N 18 bij
        Jongeling blz  175).
 
        Yatonbaal V
        De naam komt voor in een Neopunische inscriptie uit Cirta (N 25 bij Jongeling
        blz  175).
        ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
        Zie ook de omkering van de naam BAALYATON. Een naam, die veelvuldiger voorkomt
        en bovendien historische personen betreft.
ncfps

familienaam Tabhapi


TABHAPI

 

ḥmlk Himilcon

|

|

ḥnb‘l Hannibal            eind 1e eeuw v.C. suffeet, prefect, flamine

|                                   van de familie Tabḥapi te Leptis Magna

|                                   Trip.21:24 KAI 120:121

|

‘bdmlqrt Hamilcar      flamine keizerlijke cultus te Leptis Magna in 8 v.C

                                   Trip.21 KAI 120
ncfps

http://www.facebook.com/groups/phoenicia.history.legacy/


 

Ousoos

OUSOOS

 
Waarschijnlijk een mythisch figuur uit de beginperiode van de Feniciërs.
Volgens Philo van Byblos (Eus.P.E. I, 10, 10-11) is Ousôos de broer van Hypsouranios en gezamenlijk worden zij de Samemroumos genoemd, ofwel “de verheven hemelen”. Ousôos is een jager en vindt de kleding uit. Ousôos en Hypsouranios geraken in een twistgesprek. Ousôos maakt de eerste boot en vestigt zich op het eiland voor de kust (Tyrus). In de naam Ousôos zit de latere plaatsnaam Usju. In de naam Hypsourianos zit de naam Sour (=Tyrus).
808:7
Vanuit dezen (zegt hij) werden de Samemroumos, die ook Hypsouranios [werd genoemd] en Ousoos geboren. En (hij zegt) dat zij zich zelf noemden naar hun moeders, aangezien de vrouwen in die tijd vrij omgang hadden met iedereen, die zij verkozen.
............
Vlg.Eusebius:
808:10                                               I,10,10
Dan zegt hij:
Vlg.Philo:
[dat] Hypsouranios zich te Tyrus vestigde en hij vond hutten uit, die gemaakt werden van riet, biezen en papyrus. En hij maakte ruzie met zijn broer Ousoos, die als eerste bedacht hoe het lichaam bedekt kon worden met de huiden van de dieren, die hij had kunnen vangen.
............
808:12
Als er hevige regens en stormen waren, dan schuurden de bomen in Tyrus tegen elkaar en geraakten in brand en hun hout verbrandde.
............
808:14
Ousoos, die een deel van een boom had genomen en die ontdaan had van de takken, was de eerste, die de zee op durfde te gaan. En hij richtte twee gedenktekens op voor Vuur en voor Wind en hij goot bloed van de door hem gevangen dieren als een plengoffer voor hen.
............
808:17
Toen Hypsouranios en Ousoos stierven, zegt hij, wijdden hun opvolgers staven aan hen, aanbaden de gedenktekens [van Ousoos], en vierden jaarlijks festivals ter hunner ere.
............
Volgens Nonnos (Dion.XL 465-500) zou Ousôos op het eiland twee gedenktekens hebben opgericht (Ambrosiai Petrai). Deze zijn in het vervolg kenmerkend voor (de tempel van) Tyrus. Ze staan ook op munten afgebeeld.
Ousôos en Hypsouranios worden godelijke personen. Dit wordt nog eens herhaald door Eusebius (Laud.Const.13).
De mythe weerspiegelt de dualiteit tussen het land en het eiland
In Sidon bestaat een wijk šmm rmm (KAI 15) en hierin heeft men een rivaliteit tussen Sidon en Tyrus willen zien.
De vijandschap tussen broers komen we ook tegen in de bijbel: Ezau en Jakob.
 

Hasdrubal van Cannae


HASDRUBAL van Cannae

 

          Hasdrubal XIX (9) {8}

          ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑

          Algemeen kwartiermeester van Hannibal Barcas (Polybios III 93,4). Na de

          slag bij Ticino voert hij het leger over de Po, terwijl Hannibal

          vooruitsnelde naar Placentia (Polybios III 66,6). In het gebied van de

          Falerniërs leidt hij de list met de runderen (Polybios III 93,4). Bij

          Gerunium voert hij bevel over 4000 man te hulp snellende troepen

          (Polybios III 102,6). Bij Cannae voert hij in 216 de zware ruiterij aan

          (Polybios III 114,7) en verdwijnt dan uit de overleveringen. Wellicht

          komt hij om in de veldslag.

 

Hij komt waarschijnlijk voor het eerst in de overleveringen in beeld bij het gevecht aan de Ticino in de herfst van het jaar 218 v.C als man van de aan- en afvoertroepen. Hij maakt echter al eerder deel uit van het leger van Hannibal.  Bij de overschrijding van de Rhône en doortocht over de Alpen zal hij ongetwijfeld ook al kwartiermeester gespeeld hebben. Hij zal wellicht zelfs al deelgenomen hebben aan het beleg van Saguntum in 219 v.C.

 

Polybius III, 66
Livius XXI, 47
Publius brak op en trok door de vlakte naar de brug over de Po, want hij wilde zijn legioenen tijdig de overtocht laten maken. Het terrein was hier vlak, de tegenstanders waren superieur in kracht voorzover het de ruiterij betrof en hijzelf had last van een verwonding. Dat alles overwegende achtte hij het juist zijn strijdkrachten naar een veilige plaats te brengen. Hannibal had een tijdlang de indruk dat de Romeinen een infanteriegevecht in de zin hadden, maar toen hij begreep dat ze hun kamp verlaten hadden, volgde hij hen tot aan de eerste rivier en de brug, die daarover lag. Daar constateerde hij dat de meeste planken al weggetrokken waren en dat de manschappen die de brug hadden bewaakt zich nog in de buurt van de rivier ophielden. Deze nam hij gevangen; het waren er ongeveer zeshonderd. Omdat hij hoorde dat de rest van Scipio’s leger al een flinke voorsprong had genomen, maakte hij rechtsomkeert en trok langs de rivier, met de bedoeling een punt te vinden waar hij gemakkelijk een brug over de Po kon slaan. Op de tweede dag sloeg hij zijn kamp op, bouwde een pontonbrug van rivierschepen en gaf Hasdrubal bevel voor de overtocht van het leger te zorgen. Zelf stak hij meteen de rivier over en begon dadelijk gesprekken met de mensen die als gezanten uit de omliggende gebieden bij hem kwamen.  
Livius noemt Hasdrubal hier niet, maar wel indirect Mago:
 
------ Coelius beweert dat Mago met de ruiterij en en de Spaanse infanteristen meteen de rivier overzwom en dat Hannibal zelf zijn leger liet oversteken via hogerop gelegen ondiepten, waarbij de olifanten in een rij werden opgesteld om de kracht van de rivier te stuiten. Deze mededelingen zijn weinig geloofwaardig voor wie de rivier kent: het is onwaarschijnlijk dat ruiters met behoud van hun wapens en paarden zo’n krachtige rivier overgezwommen zijn – nog aangenomen dat alle Spanjaarden met behulp van opgeblazen leren zakken zijn overgestoken - . Bovendien hadden ze een omweg van  vele dagen moeten maken om ondiepten van de Po te bereiken waar een zwaarbepakt leger kon oversteken. Eerder geloof ik de auteurs die berichten dat ze met moeite na twee dagen een plaats voor een schipbrug over de rivier vonden en dat daarover de ruiters en de lichtgewapende Spanjaarden onder leiding van Mago vooruit werden gestuurd.

 

In het gebied van de Falerniërs in de zomer van 217 v.C zien we Hasdrubal weer in zijn functie van kwartiermeester.

 

Polybius III, 93
Livius XXII, 16
Toen de Carthagers waren aangekomen en hun kamp hadden opgeslagen in het vlakke gebied aan de voet van de bergrug, hoopte Fabius zonder strijd de buit die in Carthaagse handen was te kunnen meeroven en misschien zelfs een einde te kunnen maken aan het hele conflict door het volle profijt te trekken van zijn gunstige positie. Hij concentreerde zich dan ook volledig op de beraadslagingen over zijn krijgsplan, waarbij hij overwoog waar en hoe hij van zijn positie gebruik zou maken en wie het eerst de tegenstanders moesten aanpakken en van welk punt uit. Dit alles bereidden Hannibals vijanden met het oog op de volgende dag voor, maar hij, die uitging van wat het meest waarschijnlijk was, gaf hun geen tijd of gelegenheid om hun plan uit te voeren. Hij riep Hasdrubal, de commandant van de afdelingen werklieden, bij zich en droeg hem op in korte tijd zo veel mogelijk fakkels te binden van allerlei droog hout. Ook moest hij uit de hele buit de sterkste trekossen kiezen, ongeveer tweeduizend en die voor de legerplaats bijeenbrengen. Toen dit gebeurd was, liet Hannibal de werklieden bij elkaar komen en wees ze een heuvelrug die gelegen was tussen zijn kamp en de pas waarlangs hij van plan was met zijn leger te trekken. Ze moesten op een afgesproken signaal de ossen uit alle macht en met alle middelen naar die heuvel te drijven, net zolang tot ze de toppen zouden bereiken.
--------- Het ontging Hannibal niet, dat hij met zijn eigen tactieken werd aangevallen. Nu hij niet via Casilinum weg kon komen, was hij gedwongen het bergland in te gaan en de pas van Callicula over te trekken. Hij besloot bij het vallen van de nacht heimelijk de tocht omhoog te beginnen en bedacht een afschrikwekkend gezichtsbedrog om de Romeinen te misleiden en te voorkomen dat ze zijn colonne, die in de valleien was ingesloten, ergens zouden aanvallen. De list was als volgt opgezet. Houtspaanders, bundels twijgen en droog rijshout werden overal van de velden bijeengeraapt en aan de horens van tamme en wilde runderen gebonden, die hij in grote getale meevoerde bij de buit van het land. Tegen de tweeduizend runderen werden zo geprepareerd. Hasdrubal kreeg de taak om deze kudde die nacht met brandende horens de bergen in te drijven, zo mogelijk vooral boven de bergpas die door de vijand bezet werd gehouden.
 

 

Gerunium in het jaar 217 v.C. Hasdrubal in zijn rol als redder in de nood.

 

Polybius III, 102
Livius XXII, 23-24
Marcus [Minucius] constateerde dat het grootste deel van de tegenstanders zich over het land bleef verspreiden om bovengenoemde bezigheden (foerageren) te verrichten. Daarom was dit voor hem het juiste moment om precies op het midden van de dag met zijn leger op te rukken. Hij ging op het kamp van de Carthagers af, stelde zijn zwaargewapenden in slagorde op en verdeelde de ruiters en de lichtgewapenden in kleinere eenheden, die hij op de foerageurs afstuurde met het consigne niemand in leven te laten. Hannibal was door deze actie in grote problemen geraakt. Hij was niet sterk genoeg om tegen de Romeinse slaglinie op te rukken, maar evenmin om zijn mannen die over het land verspreid waren hulp te bieden. Bij de Romeinen daarentegen doodden degenen die op de foerageurs waren afgestuurd  een groot aantal van hen die verspreid rondzwierven, en degenen die in slagorde stonden opgesteld lieten tenslotte hun minachting voor de vijanden blijken dat ze de palissaden begonnen te ontmantelen en al bijna bezig waren de Carthagers te belegeren. Maar hoewel Hannibal’s positie slecht was, hield hij in deze tegenslag toch stand en trachtte hij zich de aanvallers van het lijf te houden en zijn kamp met moeite te behouden, totdat Hasdrubal hem te hulp kwam. Die had de ongeveer vierduizend mannen die van het land naar het kamp bij Gerunium gevlucht waren bij zich. Hierdoor vatte Hannibal weer enige moed. Hij rukte uit, stelde zijn mannen op korte afstand van het kamp op en wist het gevaar waarin hij zich bevond met moeite te keren. 
Hannibal bevond zich in een vast kamp voor de muren van Gereonium. Hij had de stad ingenomen en in brand gestoken op enkele huizen na, die hij als opslagplaatsen voor graan gebruikte. Vanuit dit kamp stuurde hij twee derde van zijn leger op graan uit. Met het resterende deel hield hij zelf in staat van paraatheid de wacht, ter bescherming van het kampen op zijn hoede voor een eventuele aanval op de foerageurs. ---------
------ De volgende dag joegen de Romeinen de bezetters van dat punt weg – hun aantal vonden ze te verwaarlozen – en verplaatsten ze zelf hun kamp daarheen. Toen was de ruimte tussen de ene wal en de andere helemaal gering, en ze werd bijna helemaal gevuld met Romeinse troepen in slagorde. Tegelijk werd vanuit de achterzijde van het kamp de ruiterij met de lichtgewapenden op de foerageurs afgestuurd, die overal rondzwervende vijanden doodde of op de vlucht joeg. Hannibal durfde geen slag te leveren, omdat hij met zijn geringe troepensterkte – een deel van zijn leger was al vanwege de honger weggegaan – het kamp nauwelijks kon verdedigen als dat werd aangevallen. Hij voerde nu oorlog in de trant van Fabius, met stilzitten en afwachten, en had zijn mannen al in zijn vorige kamp voor de muren van Gereonium  teruggetrokken.
 
Livius noemt hier niet de naam Hasdrubal, maar vermeldt wel een andere versie van deze gebeurtenissen, waarbij opeens een Samniet Numerius Decimus opduikt, die de Romeinen met 8000 man te hulp schiet.

 

In 216 v.C is Hasdrubal opeens de belangrijkste ruiteraanvoerder geworden. Dat lijkt misschien ongeloofwaardig voor een kwartiermeester, maar omdat de Carthaagse ruiterij opeens zo anders gaat vechten, kan het zeer wel mogelijk zijn.

 

Polybius III, 114
Livius XXII 45
---- In totaal hadden de Carthagers zo’n tienduizend ruiters en niet veel meer dan veertigduizend infanteristen, de Kelten meegerekend. De rechterflank bij de Romeinen werd aangevoerd door [Lucius] Aemilius [Paullus], de linker door Gaius [Terentius Varro] en het centrum door de consuls van het vorige jaar, Marcus [Atilius Regulus] en Gnaeus [Servilius Geminus]. -------
------ Op de rechtervleugel, aan de kant van rivier, plaatsten ze de Romeinse ruiters met daarnaast de infanterie. De uiterste linkervleugel werd bezet met de ruiters van de bongenoten; meer binnenwaarts stonden hun infanteristen, die in het midden aansloten aan de Romeinse legioenen. De slingeraars vormden met andere lichtgewapende troepen de voorste linie. De consuls voerden bevel over de vleugels. [Gaius Terentius] Varro over de linker, [Lucius Aemilius] Paulus over de rechter, en aan [Gnaeus} Servilius [Geminus} werd het commando over het centrum van de linie overgedragen.
Polybius III, 114 (vervolg)
Livius XXII 46
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
---- Bij de Carthagers voerde Hasdrubal de linkervleugel aan, Hanno de rechter; in het centrum stond Hannibal zelf, met zijn broer Mago bij zich. ------
------ Aan de overkant werden ze successievelijk als volgt opgesteld: de Gallische en Spaanse ruiters kwamen dicht bij de rivieroever op de linkervleugel te staan tegenover de Romeinse ruiterij, de rechtervleugel werd toegewezen aan de Numidische ruiters, en het centrum van de linie werd gevormd door de infanterie, met de Afrikanen aan de zijkanten en de Galliërs en Spanjaarden daartussenin. ------
----- Het totale aantal infanteristen in deze linie bedroeg veertigduizend. Het aantal ruiters tienduizend. Over de vleugels voerden links Hasdrubal en rechts Maharbal bevel; het centrum van de linie stond onder commando van Hannibal zelf met zijn broer Mago.
Polybius III, 115
Livius XXII, 47
Bij de eerste gevechtshandelingen van de voorhoeden ging de strijd tussen de lichtgewapenden in het begin gelijk op. Maar zodra de Spaanse en Keltische ruiters op de linkervleugel de Romeinen aanvielen, maakten die het treffen tot een gevecht van werkelijk barbaars karakter. Er werd namelijk niet gestreden volgens de gebruikelijke methoden van terugtrekken en aanvallen, want zodra ze slaags waren geraakt stegen ze van hun paarden en vochten man tegen man. De Carthagers kregen de overhand en doodden bij dit treffen de meeste tegenstanders, hoewel alle Romeinen verbeten en dapper streden, en dreven de overigen langs de rivier voor zich uit, terwijl ze hen meedogenloos in de gevechten afslachtten. ------
Onder krijgsgeschreeuw stormden de hulptroepen naar voren en zo ontstond eerst een gevecht van lichtgewapenden. Daarop ging de linkervleugel van de Gallische en Spaanse ruiters met de rechtervleugel van de Romeinen een strijd aan, die weinig weg had van een normaal ruitergevecht. Want er moest frontaal gevochten worden, omdat ze geen ruimte hadden voor zijwaartse bewegingen; aan de ene kant werden ze door de rivier ingesloten, aan de andere kant door de infanterie. Ze stormden dus van beide kanten recht vooruit, en toen de paarden tenslotte dicht bij elkaar stonden, greep de ene ruiter de andere vast om hem van zijn paard te trekken. Al snel werd er grotendeels te voet gevochten. Na een korte doch hevige strijd werden de Romeinse ruiters verslagen en sloegen ze op de vlucht. -------
Polybius III, 116
Livius XXII, 48
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
----- Toen Hasdrubal en zijn mannen de ruiters langs de rivier op een zeer klein aantal na gedood hadden en op de linkerflank de Nunidiërs te hulp kwamen, zagen de ruiters van de bondgenoten der Romeinen hun aanval aankomen, keerden zich om en vluchtten. Wat Hasdrubal op dat moment deed was effectief en verstandig. Hij zag, dat de Numidiërs in de meerderheid waren en op hun sterkst wanneer ze vijanden die eenmaal op de vlucht geslagen waren schrik aanjoegen. Daarom liet hij de vluchtende Romeinen aan deze Numidiërs over en ging zelf zijn mannen voor naar de strijd van de infanterie om de Noord-Afrikanen te helpen. Nu viel hij de Romeinse legioenen in de rug aan en voerde met zijn ruiterafdelingen de ene na de andere charge tegen hen uit, waardoor hij de Noord-Afrikanen nieuwe moed gaf, maar de Romeinen demoraliseerde en intimideerde. --------
Intussen was ook de linkervleugel van de Romeinen, waar de ruiters van de bondgenoten zich tegenover de Numidiërs hadden opgesteld, in gevecht geraakt. De strijd kwam traag op gang en begon met een list van de Puniërs. Ongeveer vijfhonderd Numidiërs reden voorwaarts uit hun gelederen met hun schilden op hun rug, alsof ze wilden overlopen; maar behalve hun gewone wapens droegen ze heimelijk zwaarden onder hun pantsers. Bij de Romeinen aangekomen sprongen ze plotseling van hun paarden en wierpen hun schilden en speren neer voor de voeten van de vijanden. Ze werden in de vleugel opgenomen en naar de achterste gelederen gevoerd, waar ze orders kregen achter de troepen te gaan zitten. Zolang het gevecht aan alle kanten nog op gang kwam, hielden ze zich rustig. Maar toen alle ogen en en aandacht op de strijd gericht waren, grepen ze de schilden die overal tussen de stapels lijken waren neergeworpen en vielen de Romeinse linie van achteren aan. Ze staken hen in de rug, sneden hun kniepezen door en veroorzaakten een geweldige slachting en een nog veel grotere paniek en chaos. Nu leidde aan de ene kant de schrik tot een vlucht, terwijl in het centrum de strijd hardnekkig voortduurde, maar al zonder hoop op succes voor de Romeinen. Hasdrubal haalde als commandant van de ruiterij de Numidiërs weg uit het midden van hun linie, omdat hun gevecht tegen hun tegenstanders te traag verliep, en stuurde ze achter de overal vluchtende soldaten aan; de Spaanse en Gallische ruiters voegde hij bij de Afrikanen, die bijna meer vermoeid waren van het doden dan van het vechten.
 
Livius XXII, 49
 
Vervolgens gaat Livius weer terug naar het begin van de strijd met de wederwaardigheden van Paullus als bevelhebber van de Romeinse ruiterij.

 

Ook Appianos en Zonaras noemen Hasdrubal in zijn rol als ruiteraanvoerder te Cannae.

Hierna wordt deze Hasdrubal in de overleveringen waarschijnlijk niet meer genoemd. Is hij in de eindstrijd van Cannae alsnog gesneuveld?

We kennen ook geen stamboomgegevens van deze Hasdrubal. Wie was zijn vader en had hij nog kinderen, die ergens later weer opduiken in de geschiedschrijving?

Tenslotte: is er een naamsverwisseling in het spel? Bijvoorbeeld met één van de vele Hanno’s?

 

H.R.van Diessen.

NCFPS, december 2011.